Deze pagina toont een aantal termen en definities die je bij het windsurfen tegen kunt komen.

Downhaul – Engels voor neerhaler. Lijn waarmee je het zeil naar onderen trekt, zit bevestigd aan de mastvoet.

Fin – Engels voor vin, of skeg.

Freeride-plank – Een freeride-plank is een grote plank waar je mee vaart als je begint met surfen of voor lichte winden. Bij freeriding kun je je ophaalkoord gebruiken om het zeil op te halen, en je kunt er ook vaak mee overstag.

Freestyle-plank – Een plank tussen de 80 en 110 liter met een lengte tot 2,50 m en een breedte van 60 cm (of nog breder) bedoelt om kunstjes mee te doen (freestylen).

Harness – Engels voor trapeze. Als je Engelstalige surf-video’s bekijkt of als je ergens met Google naar wilt zoeken dan is het handig om de Engelse term te weten.

IMCS – Afkorting die staat voor Indexed Mast Check System. Dit is een getal dat de stijfheid van de mast aangeeft. Elke (nieuwerwetse) mast moet zo’n IMCS-nummer hebben. Ook op het zeil staat altijd een IMCS-nummer (dat geeft dan aan welk type mast je moet gebruiken voor dat zeil). Het IMCS-nummer op het zeil moet hetzelfde zijn als op je mast. Dus als je een zeil koopt dan moet je er op letten dat niet alleen de lengte van de mast past, maar ook dat het IMCS-nummer overeenkomt (of je moet er een nieuwe mast bij kopen). IMCS-nummers lopen van 11 (slap kindermastje) tot en met 36 (stijve speed-surf-mast).

Leech – De achterkant van het zeil, het achterlijk.

Loose leech – Doordat je de neerhaler (lijn aan de mastvoet waarmee je het zeil naar beneden aantrekt) strak trekt krijgt je zeil een rimpelig achterlijk. Die rimpels heten loose leech (los achterlijk). Hoe meer loose leech hoe minder moeite het als surfer kost om de windvlagen op te vangen (zie het artikel over het trimmen van het zeil).

Luff – De lengte van het zeil aan de mastzijde. De lengte van de mastslurf dus. De waarde van luff staat vaak op het zeil genoteerd.

Outhaul – Engels voor uithaler. Koord om het zeil naar achteren strak te trekken. Zit aan de achterkant van de giek vast.

Planeren – De surfplank planeert wanneer hij niet meer dóór maar over het water vaart. Je plank versnelt enorm en schiet als een beest vooruit.Je vaart heel snel. Dat is planeren.

RDMReduced Diameter Mast. Een dunner type mast. RDM-masten  zijn dunner dan SDM-masten. Niet alle zeilen kunnen gebruik maken van een RDM-mast.

Ook: sommige gieken passen standaard niet op een RDM-mast (omdat de mast te dun is). Je krijgt er dan vaak een extra rubbertje bij (een mof) die je om de RDM-mast schuift.

RDM is de nieuwe trend, zo voorspel ik. Dus als je iets nieuws gaat kopen, dan neem je RDM.

SDM – Standard Diameter Mast. Een mast met een “gewone” (ouderwetse) dikte. Zie ook RDM.

Skeg – Ander woord voor vin. De echte herintreder is bekender met het woord skeg dan het woord vin. Toch is tegenwoordig het juiste woord: vin. Nou ja, maakt niks uit, als we maar weten dat een skeg hetzelfde is als een vin, dan willen we ook wel vin zeggen hoor. Geen probleem.

Slalom-plank – Een plank bedoelt om vooral snel mee te varen. Slalom-planken zijn soms lastig te manouvreren (in vergelijking met wave-planken en freestyle-planken), maar ze gaan rechtdoor wel hard.

Tack – Engels voor een overstagmaneuvre. Tacking betekent overstag gaan. Zie het Wikipedia-artikel over overstag.

Overpowered – Een te groot zeil voor de wind die er staat (of te veel wind voor het aantal vierkante meters zeil dat je gebruikt). Het tegenovergestelde heet underpowered.

Vin – Skeg.

Wave-plank – Een plank voor in de golven, om mee op zee te surfen. Springen, en het varen op golven doe je er mee. Wave-planken zijn meestal 70 tot 100 liter groot (vuistregel: het volume in liters is gelijk aan het gewicht in kg van de surfer) en hebben een lengte van 2,30 tot 2,60 meter en een breedte van rond de 55 cm. Wave-surfers varen meestal met een zeil ergens tussen de 4 en 6m2.

 

 

Comments are closed.